‘SHOOOSSSH’ zoeven de automatische schuifdeuren. Altijd voelt hij zich bekeken als hij daar loopt. Bespioneerd door dat rood knipperende oogje boven de deuren. Zodra hij aan komt gelopen begint het al opgewonden te knipperen. Alsof het blij is dat het weer iets heeft ontdekt. Met een soort valse gastvrijheid schuift het de deuren dan voor hem open ‘SHOOOSSSH’. Maar wat nu als dat oogje zou besluiten om hem vandaag niet binnen te laten? Of als het zou besluiten om vandaag de deuren eens hard dicht te schuiven nét op het moment dat hij er tussenin loopt?

Op sommige dagen beeldt hij zich wel eens in dat de schuifdeuren scherpe messen zijn. Messen die hem bij het naar binnen gaan in tientallen mootjes hakken. Die fantasie heeft hij sinds hij ergens las dat de dag van een gemiddelde kantoormedewerker automatisch wordt ingedeeld op het moment dat deze door de voordeur van het kantoor loopt. Opgedeeld in tientallen hapklare, onproductieve brokken. Tien procent wordt verspild door nutteloze praatjes bij de koffiemachine. Nog eens tien door het zoeken naar een vrije flexplek. Dertig procent gaat naar het stuntelen met falende kantoor soft- en hardware. De laatste vijftig procent gaat tenslotte naar die talloze werkonderbrekingen door telkens weer een andere collega die ‘even snel iets komt vragen’.

Medelijden

Hij wuift de gedachten weg en stapt de lift in. Net als hij zijn ogen sluit om te genieten van het zacht zoemende ritje naar boven hoort hij naast zich: ‘Ha Joost! Hoe was je weekend?’ Het was Martin van Personeelszaken. ‘Oh. Prima hoor’ antwoordt hij ontwijkend. Maar daar laat Martin hem niet mee wegkomen. Niet vandaag. ‘Moest je vrijdag niet naar het afstuderen van je zoon? Dat vertelde je laatst toch?’ vraagt hij. ‘Ja, inderdaad. Kleine jongens worden groot hè? Was leuk hoor. Een echte mijlpaal’. ‘Mooi! Leuk! Dit is mijn halte. Werkze Fred! Later’. En weg was Martin. ‘Wat was dat?’ denkt hij. ‘Medelijden?’

Zodra de lift op de elfde verdieping tot stilstand komt haalt hij diep adem en zet hij een soort broze glimlach op. Dan gaan de deuren open en stapt hij de vloer op. Precies zoals hij dat al jaren doet. Precies ook zoals hij dat vier weken geleden deed. Die dag die toch anders bleek dan de anderen.

Stilte

Want toen hij die dag achter zijn bureau plaatsnam en hij zijn computer aanzette ging de telefoon. En dat gebeurt anders nooit zo vroeg. Het was zo’n vrolijk electronisch deuntje dat hem altijd deed denken aan een van die oude computerspelletjes. Uit die tijd dat computerspelletjes nog simpel waren. En leuk. Hij nam de hoor van de haak: ‘Met Joost.’ ‘Hi Joost. Met Constant. Hoe is het? Stoor ik?’ Stilte…. ‘Euh, nee hoor. Het is goed. Ik ben eigenlijk net binnen.’ ‘Aha, oké. Mooi.’. Stilte.

‘Waar kan ik je mee helpen Constant?’ ‘Nou, ik moet iets met je bespreken. Heb je toevallig over een uurtje even tijd?’ ‘Rond tienen?’ ‘Ja, prima. Zie ik je om tien uur hier’ ‘Oké. Tot zo.’ ‘Klik’ hoorde hij in zijn oor. Een vervelend gevoel bekroop hem. Zijn hart klopte sneller dan normaal en hij kreeg het warm.

Eerst herkende hij het gevoel niet; zenuwen. Want hoe lang was het niet geleden dat hij zenuwachtig was geweest? Heel lang. Zijn leven kabbelde altijd rustig voort. Zeker op zijn werk. Hij kon de weken, nee de maanden en zelfs de jaren altijd vooraf uittekenen. Het was altijd in grote lijnen hetzelfde. Van de nieuwjaarsspeech van zijn baas tot en met het kerstontbijt op kantoor. En alles daar tussenin.

Toch was de nieuwjaarsspeech dit jaar anders dan anders. Normaal was het altijd een standaardpraatje dat iedereen beleefd aanhoorde. Terwijl de gedachten van de meesten al afdwaalden naar de Champagne waarmee ze gingen proosten. De mannen dachten al na over welke vrouwelijke collega ze dit jaar een ‘gelukkig nieuwjaar’ zouden zoenen en welke ze de hand zouden schudden. En de vrouwen braken hun hoofd over hoe ze die kleffe zoenen zouden kunnen ontwijken met een ferme handdruk.

Prosecco

Nee, dit jaar was de speech verre van standaard. Hij merkte dat zijn baas dit jaar meer woorden nodig had om te zeggen wat hij wilde zeggen. Ook keek hij tijdens zijn praatje niemand écht aan. Het leek bijna alsof hij staarde naar de muur helemaal achterin de ruimte. En toen het eindelijk tijd was om te proosten bleek de Champagne helemaal geen Champagne te zijn. Maar Prosecco.

Na die bewuste speech had hij een uurtje een raar gevoel gehad in zijn onderbuik. Maar gelukkig nam de routine het al snel weer over. Ah, die routine! Dat heerlijke vertrouwde gevoel. Als een lieve, bezorgde moeder. Die je ’s ochtends roept om op te staan. Die je boterhammen smeert en je ’s avonds weer op tijd onder de wol stopt. Vergeet je tas niet Joost! Fijn. Want zeg nu zelf. Waar zouden we zijn zonder onze moeders?

Zenuwen

Maar daar waren die zenuwen weer. Door dat onverwachte telefoontje. En die weifelende stem aan de telefoon. Hij probeerde nog wat interne e-mails te beantwoorden maar kreeg zijn gedachten er niet bij. Het uur duurde tergend lang en om tien voor tien ging hij maar naar de wc. Niet dat hij moest, maar wel omdat hij het gevoel had dat hij zich moest voorbereiden op iets. Op wat? Wonder boven wonder perste hij er nog wat druppels uit ook terwijl hij onhandig over het urinoir geleund stond. Net als altijd zocht hij naar de knop om door te trekken. Terwijl hij inmiddels toch zou moeten weten dat die er niet is. Met een zucht ritste hij zijn gulp dicht en deed hij een stapje naar achteren. ‘SHHOOOSSSH’ spoelde het urinoir automatisch door.

Regendans

Zoals altijd ergerde hij zich aan de veel te kleine wasbak. Die was zo ontworpen dat je handen er met geen mogelijkheid tegelijk onder passen. Weer lukte het hem niet om die kraan aan te krijgen. Het oogje was bijna onzichtbaar dit keer. Aan de onderkant van de kraan. Dit oogje besluit of iemand water krijgt of niet. Joost kreeg dus geen water. Wanhopig schudde hij met zijn ingezeepte handen heen- en weer voor het oogje. ‘Wat moet ik doen om water van je te krijgen? Moet ik een regendans doen ofzo? ROTDING! WAT MOET IK DOEN OM WATER VAN JE TE KRIJGEN!’ ‘Dichterbij Joost’ hoorde hij iemand kalm achter zich zeggen. ‘Houd je handen wat dichterbij de rand van de wasbak. Daar.’ Joost gehoorzaamde en ja hoor; een stevige straal water spoelde moeiteloos de zeep van zijn handen. ‘Dank je Stefan’ zei hij terwijl hij een stuk papier pakte om zijn handen te drogen waarna hij zich naar buiten haastte.

Constant

Even later zit hij tegenover Constant. Aan de rommelige vergadertafel met een plastic bekertje hete koffie voor zich. Toen hij zijn kantoor binnen kwam viel hem al op dat het haar van Constant er nogal warrig uit zag. Om de een of andere reden vond hij dit nogal onheilspellend. ‘Zo Joost, goed dat je er bent. Zoals ik al zei moeten we het even ergens over hebben’ hoort hij Constant zeggen. ‘Ja, dat zei je al. Daar zitten we dan’ zegt hij. ‘Joost, hoe lang werk je hier nu al? Een jaar of vijftien?’ Hij voelt iets binnenin zich opborrelen. En hij kan eigenlijk niet beslissen of het nu een gevoel van schaamte is of boosheid. ‘Vierentwintig jaar Constant’ zegt hij. ‘Oh? Al vierentwintig? Ik dacht….’ Hij rommelt wat met de papieren die voor hem liggen. ‘Nou ja, dat maakt ook niet uit. Joost, er is geen fijne manier om deze boodschap te brengen. Het gaat niet goed met ons bedrijf. De wereld om ons heen verandert en wij moeten mee. Dat betekent dat we andere skills nodig hebben. Ander bloed. Weet je?’ Constant pauzeert en roert in zijn koffie. ‘Sorry hoor, ik heb de hele week al dit soort rotgesprekken’ zegt hij. ‘Rotgesprekken?’ hoort Joost zichzelf vragen. ‘Ja. Hé Joost. We hebben een prima Sociaal Plan. Weet je?’ ‘Sociaal Plan?’ zegt hij. ‘Joost, nu onze wegen gaan zich scheiden’ hoort hij Constant ergens in de verte zeggen. Joost zegt niets en neemt een slok van de koffie die voor hem staat. Die is nog gloeiend heet en lijkt zijn tong te schroeien. Hij vindt het eigenlijk wel passen bij dit moment. ‘Oké Constant’ zegt hij. ‘Is goed. Maakt niet uit. En nu?’ vraagt hij. ‘Fijn dat het je het begrijpt. Ik ga een voorstel voor je maken en kom er op terug. Oké?’

Als hij door de schuifdeuren het gebouw uit wandelt kijkt hij achterom over zijn schouder. Het rode oogje knippert twee keer. Een soort afscheid? Dan staat hij even stil en concentreert hij zich op de straatgeluiden om hem heen. Die heeft hij eigenlijk nooit gehoord beseft hij verbaasd. Het maakt hem al een beetje nijdig. En dan voelt hij opeens een grote woede in zich op komen. Niet te geloven dit! VIERENTWINTIG JAAR! Ander bloed? WAAR SLAAT DAT OP!

Dan ziet hij een paar mensen zijn kant op kijken. Bezorgd. Angstig. Beschaamd slaat hij zijn ogen neer en besluit hij om te gaan lopen. Gewoon de ene voet voor de andere. En zo doorgaan. Afwezig wrijft hij in zijn ogen. Hij ziet wel waar hij uit komt.